TwitterFacebookGoogle+    A+A  A-                                                                                                                                                                                                                        Contact - Links - Persmap      

Menu

Verandering van een samenleving

Feitelijk bestaat de samenleving uit een groep mensen met onderlinge relaties. Alleen een groep mensen is nog geen samenleving, maar enkel een groep mensen. Wat een samenleving vormt en wat zich van andere samenlevingen onderscheidt, zijn de onderlinge relaties. De mensen in elk land zijn immers nog altijd gewoon mens. Dat wil zeggen dat zij persoonlijkheden van het menselijk ras zijn, waarbij de ene groep zich niet van de ander onderscheidt, behalve in hun relaties.

De realiteit van een samenleving in detail is een groep mensen (naas), ideeën (afkaar), emoties (masjaa’ir) en systemen (andhima). Deze vier zaken vormen de samenleving. Dit, omdat de relaties voortkomen uit het (gemeenschappelijk) belang (maslaha). Wanneer er een belang bestaat, volgt een relatie, dit in tegenstelling tot wanneer er geen belang zou zijn. De afwezigheid van het belang betekent dat er geen relatie bestaat. Het belang is gebaseerd op de ideeën over een kwestie of zaak, of deze zaak of kwestie nu een belang betreft voor een persoon of juist niet. Wanneer de ideeën van de mensen overeenkomen inzake wat al dan niet een belang is, dan is er plaats voor een relatie tussen deze mensen. In tegenstelling tot wanneer dit niet het geval zou zijn. Wanneer de ideeën niet eender zijn inzake wat al dan niet een belang betreft, is er geen ruimte voor een relatie, dit omdat wat de ene als belang wordt beschouwd, door de ander als iets slechts kan worden gezien. Om deze reden wordt er op dat moment geen relatie tussen de twee tot stand gebracht.

Wat de relatie dus doet ontstaan, is de overeenkomst van de ideeën van beide partijen dat een bepaalde zaak een belang inhoudt voor beiden. Dit is een eerste voorwaarde voor een relatie. Dit alleen is echter niet voldoende. Een tweede is dat de emoties jegens dit belang in overeenstemming dienen te zijn; hun blijdschap, hun woede, hun goedkeuring, hun afkeuring en alle andere uitingsvormen van gevoel, zijn in overeenstemming tot een bepaalde zaak. En wanneer een relatie ontstaat zonder dat de emoties in overeenstemming zijn, kan de relatie niet standhouden, zelfs als de ideeën eender zijn. Dit, omdat een idee pas een idee kan zijn wanneer dit in de realiteit plaats kan hebben. Met ander woorden, het kan pas een concept zijn wanneer dit gekoppeld wordt aan de emoties.

Er kan dus gesteld worden dat de relatie bestaat uit de ideeën en emoties die één zijn. Deze relatie kan echter pas bestaan, en kan pas vruchtbaar zijn, wanneer er systemen bestaan die de relaties tussen de mensen ordenen, waarborgen en waarnemen. De aanwezigheid van een relatie is pas tastbaar en vruchtbaar niet enkel wanneer de ideeën en de emoties één zijn, maar een eenheid van systemen bestaat welke dit belang ordening geeft.

Daarom is het veranderen van de samenleving niet mogelijk middels het veranderen van haar individuen, noch middels het veranderen van haar instituties, noch middels het veranderen van haar machthebbers of ministers. Het veranderen van de samenleving kan enkel middels het veranderen van de heersende relaties in de samenleving, dus middels verandering van de ideeën, emoties en de systemen in de samenleving.

De enige manier om een samenleving te veranderen is middels de aanwezigheid van een politiek-ideologische structuur (koetla), ofwel een partij welke gebaseerd is op een ideologie die een alomvattend idee heeft; een verstandelijk politiek credo met gedetailleerde oplossingen voor de problemen van de mens, de samenleving en de staat. Deze zou tevens de manier aan moeten geven waarop de oplossingen worden geïmplementeerd in het leven, en hoe het credo behouden en beschermd kan worden, en tevens hoe de ideologie dient te worden uitgedragen. Deze partij, na voorbereiding van haar leden met hetgeen zij nodig hebben aan cultuur (thaqaafa) om de verandering te bewerkstelligen, onderneemt actie om haar alternatieve ideeën te verspreiden, en een positieve publieke opinie jegens haar ideeën en haarzelf te vormen, op basis waarvan nieuwe algemene gebruiken voortkomen. Dit, opdat de mensen de ideeën van de partij omarmen en aannemen, en het idee hun eigen idee wordt, waarop de mensen het leiderschap (qiyaada) aan de partij overdragen.

De verandering van de mens

Allah (جل جلاله) heeft de mens geschapen en heeft in de mens instincten (gharaa’iz) en organische behoeften (haadjaat oel ‘oedwiyya) geplaatst welke hem aanzetten tot gedrag om dezen te bevredigen. De instincten en de organische behoeften in de mens zetten hem aan tot het neigen naar bepaalde dingen en het ondernemen van bepaalde handelingen, dan wel tot het afzien van bepaalde dingen en handelingen. De mens beschikt over drie instincten:

 Het overlevingsinstinct (ghariezat oel baqaa). Deze manifesteert zich in angst, de voorliefde tot bezit, de liefde voor het eigen volk en dergelijke;

 Het voortplantingsinstinct (ghariezat oen naw’). Deze manifesteert zich in de drang tot seksueel contact, moeder- en vaderschap, de drang naar het redden van iemand in nood en dergelijke;

 Het aanbiddingsinstinct (ghariezat oet tadayyoen). Deze manifesteert zich in het verheiligen en het gevoel van beperktheid, machteloosheid en behoeftigheid.

Tot de organische behoeften behoren alle zaken die benodigd zijn voor het menselijke lichaam om de vitale functies te vervullen en in leven te blijven, zoals eten, drinken, slapen, ademen, en dergelijke. Het gedrag van de mensen in het leven, ofwel de handelingen die resulteren uit de bevrediging van zijn organische behoeften en instincten, zijn verbonden met zijn concepten over de materie en het leven. De concepten inzake de materie, zoals het concept dat water drinkbaar is, vlees eetbaar en een steen bijvoorbeeld niet, dirigeren de mens naar de materie welke vereist is voor bevrediging. De concepten over het leven bepalen daarentegen bij de mens de wijze van bevrediging.

Met andere woorden ordenen zij voor hem het bevredigingsproces zelf en weliswaar door de verklaring van hetgeen geoorloofd (djaa’iz) en ongeoorloofd (mamnoe’a) is, en wat vrijgelaten (moebaah) en verboden (mahdhoer) is. De concepten omtrent de materie, zijn oordelen en overtuigingen die voortkomen uit het besef van de mens dat zich baseert op de specifieke kenmerken van de materie, of deze geschikt zijn ter bevrediging van de behoeften of niet. Daarom kan gesteld worden dat deze concepten eender zijn onder de mensen; het oordeel komt namelijk voort uit de dingen zelf en haar onderwerp. De eigenschap van vlees bijvoorbeeld is dat het behoort tot één van de zaken die de honger stilt. Dit is van de zaken die van te voren worden waargenomen door de mens, hierover bestaat geen verschil van mening.

Echter zijn de concepten over het leven oordelen en overtuigingen, en komen niet voort uit de materie en haar specifieke kenmerken, maar hangen samen met de wijze waarop de materie wordt gebruikt. Met andere woorden is het gerelateerd aan het feit of de materie wel of niet is toegestaan voor bevrediging. En deze concepten over het leven, zijn verschillend onder de mensen, daar de visies onder de mensen verschillen inzake het al dan niet verrichten van een bepaalde handeling. Tevens wanneer het gedrag (soeloek) van de mens in het leven verbonden is met de concepten (mafaahiem) over het leven, is het noodzakelijk alvorens we het gedrag van de mens veranderen, zijn concepten eerst te veranderen. Allah (جل جلاله) zegt:

''Allah verandert de toestand van een volk niet voordat zij hetgeen in hun hart is veranderen." (VBK soera ar Ra‘d 13, aaya 11)


De kracht van de media

De media is een belangrijk communicatiemiddel, welke bijdraagt aan de vorming van een publieke opinie en de adoptie van politieke besluiten. Voornamelijk in het Westen is ze belangrijk, aangezien besluitnemers en (politieke) ambtsdragers de media gebruiken ter rechtvaardiging van hun politieke besluiten, en de mensen te overtuigen. De realiteit is dat de meeste media in Westerse landen, gecontroleerd worden door machten die haar aan neutraliteit en objectiviteit hebben laten beïnvloeden.

Ze hebben het tot een werktuig in de handen van kapitalisten gemaakt; zij beheersen het en gebruiken het om hun belangen behartigd te zien. Daarom is het tegenwoordig zeer zeldzaam dat we werkelijk onafhankelijke media tegenkomen, die hun eigen wil en beslissingen hebben bij het tonen van zaken aan de mensen. Media die de mensen kunnen vertrouwen en hun uitzendingen kunnen beschouwen als een juiste weergave en correcte rapportage, van hetgeen zich afspeelt in de wereld. De media voeren een regelrechte propagandaoorlog tegen de Islam, die voor niemand meer verborgen is.

Er gaat geen dag voorbij, zonder dat de Islam wordt aangevallen en haar ideeën en wetten in een kwaad daglicht worden gezet. Een voorbeeld hiervan is de gedrukte media zoals boeken, kranten en tijdschriften, waarbij geen kans onbenut wordt gelaten om de Islam en moslims slecht af te beelden. Spaarzaam zijn de momenten waarbij men een krant vindt, welke Islam eerlijk behandelt of een programma dat zijn objectiviteit waarborgt. Dit is echter ook niet verwonderlijk, aangezien de makers vaak regelrechte islamhaters zijn en deze haat ook niet onder stoelen of banken steken. Hier is nu een belangrijke rol voor de moslims weggelegd, als zij de moslims en hun Dien een dienst willen bewijzen.

Zij kunnen een medianetwerk opbouwen, dat zichzelf een eerlijke- en objectieve berichtgeving oplegt. Daarnaast dient het een juiste uitleg van de ‘aqieda en het systeem van Islam te geven, zodat haar waarheden worden benadrukt, door middel van het gebruik van Westerse schrijf- en spraakstijlen. Wie de realiteit van moslims vandaag de dag met betrekking tot dit vakgebied analyseert, zal een grote tekortkoming hierin ondervinden. Het meeste wat de moslims vooralsnog voortgebracht hebben op het gebied van de media, ligt ver beneden niveau.

Niet zelden wordt de Islam in publicaties zodanig verdraaid, dat deze dichter bij het Westerse gedachtegoed komt te liggen, in de hoop dat door deze verdraaiing de Islam voor de Westerse samenlevingen meer acceptabel wordt. Bijkomstig het feit dat het gepubliceerde materiaal, op geen enkele wijze, in verhouding staat tot het vermogen of de grote aantallen moslims levende in het Westen. Ook staan deze publicaties totaal niet in verhouding tot het universele karakter van hun ideologie, die hen ertoe verplicht deze ideologie waar dan ook uit te dragen. Wat betreft de radio en televisie, hiervan is van islamitische zijde nagenoeg geen inbreng.

‘Maslaha’: een geldig argument voor deelname aan het politieke leven in het westen?

Met de term al maslaha, bedoelen degenen die het begrip gebruiken: "Hetgeen waarover de Wetgever geen uitspraak heeft gedaan en waarvoor Hij geen Sjar’i bewijs ter erkenning of afwijzing heeft gegeven”. Anderen hebben al maslaha als volgt gedefinieerd: “De beschrijving van een daad, waaruit altijd of meestal een voordeel voor de gemeenschap of het individu resulteert”. De voorstanders voor deelname aan het politieke leven in het Westen stellen dat hun bewijsvoering de vervulling van al maslaha, het belang van de moslims vervult. Het gaat om: "het afwegen van het beste uit de twee goede handelingen en twee kwaden. Dit, om het grootste belang te vervullen door van het kleinere belang af te zien en het minste kwaad te accepteren, door te proberen het grotere kwaad te ontwijken". De ongeldigheid van deze uitspraak wordt uit het volgende duidelijk: 

1. Het vaststellen van het belang en het vaststellen van hetgeen schadelijk is, behoort aan de Heerser van de wereld Allah (جل جلاله) toe. Wat de Sjarie’a verlangd heeft uit te voeren, wordt gezien als maslaha, het belang. Wat de Sjarie’a heeft verboden is het kwaad (mafsada). Dit is wat bedoeld wordt in het volgende Koranvers:

“Aan jullie is voorgeschreven te strijden, hoeveel het jullie ook tegenstaat. Maar misschien staat jullie iets tegen dat toch goed voor jullie is en misschien hebben jullie iets lief dat toch slecht is voor jullie. God weet en jullie weten niet.” (VBK, Al Baqara 2, vers 216)

Moge Allah (جل جلاله) ons ervoor behoeden, dat ons belang ligt in hetgeen Hij verboden heeft en moge Hij er ons tevens voor behoeden, dat wij beweren een belang te vinden in hetgeen Hij verboden heeft. Bovendien dient de vraag zich aan, wie het belang waarover deze moslims het hebben mag bepalen. Wie een blik werpt op de realiteit, toont ons de machtsstrijd binnen moskeeën en de strijd over de controle van de financiële middelen van de moskeeën. Weinig moskeeën in het Westen ontkomen aan deze interne machtsstrijd, waarbij men verschilt over de belangen van de moskee en hoe dezen vervuld dienen te worden. Hier is menig mens zich bewust van. Dus hoe kan men dan nog spreken over belang en wie is het die deze zaken bepaalt? Is er bijvoorbeeld een verkiezing geweest waarbij de moslims het een keer met elkaar eens waren, zoals de presidentiële verkiezingen in Frankrijk (in 2002), waarbij sommige moslims dachten dat het grootste belang lag bij Chirac, terwijl anderen dachten dit bij Jospin te vinden en weer anderen simpelweg Le Pen wilden uitsluiten.

2. De voorwaarde van belang voor degenen die dit nastreven, is dat het belang reëel moet zijn en niet gebaseerd op begeerten. De belangen die moslims proberen na te streven, door deel te nemen aan het politieke leven in het Westen, zijn eerder fictief en onwerkelijk. Er bestaat geen reëel belang, behalve hetgeen bereikt is door het Westen.

Lessen zouden geleerd moeten worden bij het voorbeeld van George W. Bush, die de Amerikaanse presidentiële verkiezingen won, mede dankzij de stemmen van moslims. Een groot aantal moslims dacht dat door op deze man te stemmen, hun islamitische belangen zouden worden behartigd. Tevens dachten zij dat hij de moslims steun zou verlenen in het stichten van hun instituties, het beeld van de Islam zou helpen verbeteren en hen zou steunen bij vele zaken die hen aangaan, waaronder de kwestie van Palestina. Nadat hij de meerderheid had gekregen en toetrad tot het ambt, ontketende hij een nieuwe kruistocht tegen de moslims, vervolgde hij hen in hun landen, doodde hen, bezette hun landen, en dit alles onder het voorwendsel van de strijd tegen het terrorisme. Derhalve toont de waarneembare en tastbare realiteit ons aan, dat het nagestreefde belang, dat zou liggen in de deelname aan het politieke leven in het Westen, fictief en onrealistisch is.

De stemmen van de moslims worden meer voor het eigenbelang van het Westen gebruikt. Zij veranderen de op het eigenbelang gebaseerde politiek niet, noch verlaten zij vitale belangen, omdat wij moslims met hen hebben deelgenomen in een koefr heerschappij of op hen hebben gestemd. De eerste die de leus "de Islam is de alternatieve vijand" in de Westerse politiek uitkraamde, was de voormalige minister van Defensie, de voormalige vicepresident onder George W. Bush, Dick Cheney. Hij deed dit op de conferentie voor internationale veiligheid in München (in 1991). Dezelfde Dick Cheney en George W. Bush, waaraan de moslims hun stem hebben gegeven. Laten we deze vasthoudendheid van het Westen aan haar standpunten, ideeën en belangen beschouwen, en ons afvragen; heeft de deelname aan het politieke leven in het Westen ons echt iets opgeleverd? En is het nut waarvoor we beweren te werken nu realistisch of fictief geweest?

3. Het belang waarover zij spreken en dat zij als bewijs aanvoeren, definiëren zij zelf als "hetgeen waartoe de Wetgever geen uitspraak heeft gedaan en waarbij geen Sjar’ie bewijs bestaat voor toestemming of afwijzing ".

De deelname aan regeringen van koefr behoort tot de "belangen", die door absoluut authentieke, eenduidige Sjar’ie teksten totaal zijn geannuleerd en ongeldig zijn verklaard. (*meer hierover in het boek Het Goddelijk oordeel betreffende de deelname van de moslims aan het politieke leven in het westen). Dus hoe kan nu een gemeend "belang", als bewijs worden aangevoerd dat door de Sjarie’a is geannuleerd en ongeldig is verklaard? Het beroepen op het afwegen van het beste uit de twee goede handelingen en twee kwaden, om het grootste belang te vervullen door van het kleinere belang af te zien, en tevens het minste kwaad accepteren door te proberen het grotere kwaad te ontwijken, kan enkel in die gevallen worden toegepast wanneer de moslim wordt geconfronteerd met een situatie, waar totaal geen uitweg meer is.

Een voorbeeld hiervan is wanneer een vrouw in levensgevaar gered wordt door een man, maar daarbij ongewild haar 'auwra (hetgeen verboden is voor een niet-mahram om te zien) laat zien. In dit geval moet de man de vrouw redden, ondanks het feit dat hij haar 'auwra ziet. In andere gevallen, waarin dit vermeden kan worden, is deze regel niet toepasbaar. De deelname aan systemen van koefr is ongetwijfeld vermijdbaar. Daarboven dient de afweging van het beste uit de twee goede handelingen, en twee kwaden, plaats te vinden op basis van het Goddelijk oordeel en niet op basis van rationele of verstandelijke beredenering. Nadat de moslims hun feilbare verstand het recht van de afweging en vastlegging hebben gegeven, ondanks dat er geen twijfel over bestaat dat dit onmogelijk is omdat verstandelijke capaciteiten en meningen niet eenduidig kunnen zijn, hebben zij George W. Bush hun stem gegeven in plaats van Al Gore. En hebben zij hiermee werkelijk het betere uit twee alternatieven, of het minste van de twee kwaden gekozen? Of juist het tegendeel? Bovendien is er voor de moslim geen groter kwaad, behalve de veelgoderij, dan het regeren buiten hetgeen Allah (جل جلاله) heeft geopenbaard.

In feite zijn het twee zijden van dezelfde munt. Allah (جل جلاله) heeft ons geboden gedurende de djihaad ons leven op te offeren, om de mensen aan de wetten van Islam te onderwerpen. Op gelijke wijze heeft Hij ons opgedragen ons leven te offeren wanneer de ten uitvoering van de islamitische wetgeving in het geding komt. Wij moslims zijn opgedragen om tegen de heerser van de islamitische Staat gewapend ten strijde te trekken, wanneer hij wetten van koefr ten uitvoer wil brengen en waar de moslims over een duidelijk bewijs beschikken, dat hij dit bewust wil doen. Hoe kan nu van moslims verlangd worden de vergankelijke belangen in het Westen, te verruilen ten koste van het grootste belang van de religie, namelijk het regeren met de wetten die geopenbaard zijn door Allah (جل جلاله) ?Voor de geleerden staat vast dat het vasthouden aan de religie, voorgaat aan alle islamitische verordende doelen, zoals het lijfsbehoud, het behoud van het nageslacht en andere doelen. Waarop moet worden gewezen, is het feit dat de geleerden het er over eens zijn dat het verblijf van een moslim in een "daar oel koefr" (Staat waar de islamitische wetten niet ten uitvoer worden gebracht) verboden is, indien de moslims vrees hebben om hun geloofsovertuiging uit te oefenen of vrezen in haraam te vervallen. In deze gevallen is het zijn plicht naar een land te vertrekken waarin hij zijn geloof kan uitoefenen en waarin hij tevens geen vrees hoeft te hebben om in haraam te vervallen, ongeacht welke financiële consequenties dit zou hebben. Elk onheil blijft in vergelijking bij het verliezen van de religie gering. Allah (جل جلاله) zegt: ْ

“Tot hen die door de engelen worden weggenomen, terwijl zij zichzelf onrecht hebben aangedaan, zeggen zij: “In wat voor toestand verkeerden jullie?” Zij zeggen dan: “ Wij waren onderdrukten op aarde.” Zij zeggen: “Was Gods aarde niet zo ruim dat jullie daarin konden uitwijken?” Zij zijn het van wie de verblijfplaats de hel is; dat is een slechte bestemming.” (VBK, An Nisaa 4, aaya 97)

Dus hoe kunnen moslims zichzelf afvragen te werken met de verboden handeling van het deelnemen aan het politieke leven, alleen omdat zij wonen in het Westen?

Politieke deelname op basis van het verhaal van de Profeet Joesoef (عليه السلام)?

Het verhaal van de Profeet Joesoef (عليه السلام) is niet geschikt om de deelname aan Westerse regeringen, partijen of parlementen te rechtvaardigen. Dit is gebaseerd op meerdere argumenten waarvan we er twee, met Allah’s toestemming, uitvoerig zullen behandelen.

1. In de grondbeginselen van de oesoel oel fiqh (fundamenten van islamitische jurisprudentie) is vastgelegd, dat de oordelen van de openbaringen van voor de komst van Islam, geen bron zijn voor de moslims. Het bewijs daarvoor is het volgende vers:

“En Wij hebben het boek met de waarheid naar jou neergezonden ter bevestiging van wat er voordien van het boek al was en om erover te waken. Oordeel dan tussen hen volgens wat Allah heeft neergezonden en volg hun neigingen niet in afwijking tot wat de waarheid tot jou gekomen is. Voor een ieder van jullie (profeten) hebben Wij een norm en een weg bepaald.” (VBK soera Al Ma’ida 5, aaya 48)

Voor wat betreft de minderheid onder de geleerden, die het volgen van de vroegere Profeten en Schriften toegestaan hebben, zij hebben dit verbonden aan de voorwaarde dat dit toegestaan is, zolang het niet iets is wat door de Sjarie’a is geannuleerd (maa lam joensag). Daarom luidt hun stelling dat: "De Sjarie’a die aan de volkeren voor ons (moslims) is geopenbaard, is ook onze Sjarie’a, zolang dit niet (door de Sjarie’a) is geannuleerd." Er is met behulp van wetteksten uit de Koran en de soenna, eerder aangetoond dat het regeren aan de hand van andere wetten dan door Allah (جل جلاله) is geopenbaard, absoluut verboden is. Derhalve is het aanhalen van de daad van Joesoef (عليه السلام) als zijnde een Sjarie’a voor ons, als bewijs voor de legitimiteit van deelname in een koefr systeem, onjuist. Zelfs voor degenen die het principe van Sjar'i min qablinaa (de wetgeving geopenbaard aan de volkeren voor ons) adopteren. Dit is omdat de eerder genoemde Sjar’ie bewijsvoeringen, de legitimiteit van deelname in een koefr wetgeving hebben geannuleerd (Asj Sjawkaani, Irsjaad oel foehoel).

2. Wanneer we de geopenbaarde Sjarie’a van de volkeren voor ons ook tot onze Sjarie’a verklaren, zoals met het verhaal van de Profeet Joesoef (عليه السلام) wordt getracht, dan dienen we ook het neerwerpen (soedjoed) voor andere mensen toe te staan, zoals het in de Sjarie’a van Joesoef  (عليه السلام) het geval was. Allah zegt:

“En hij verhief zijn ouders op de troon en zij vielen eerbiedig buigend voor hem neer. En hij zei: "O mijn vader, dit is de vervulling van mijn vroegere droom.” (VBK soera Joesoef 12, aaya 100)

Dit is niet toegestaan in onze dien, vanwege hetgeen overgeleverd is van Abdoellah Ibn Abi Auwf: َ’’Toen Moe'aadh uit Syrië terugkeerde wierp hij zich voor de Profeet (صلى الله عليه وسلم) neer. De Profeet (صلى الله عليه وسلم) vroeg hem:"Wat doe jij daar Moe'aadh?" en Moe'aadh antwoordde: "Ik ben in Syrië geweest en zag hoe de mensen zich voor hun bisschoppen en patriarchen neerwierpen, en ik wil dat wij hetzelfde voor u doen." Daarop antwoordde de Profeet van Allah (صلى الله عليه وسلم) : ‘’Doe dat niet. Als ik iemand zou bevelen zich voor een andere persoon neer te werpen, dan had ik de vrouw bevolen zich voor haar man neer te werpen!" [Overgeleverd door Ibn Maadja, Soenan #1853]

Wanneer deze hadieth alleen al voldoende is om een handeling uit de Sjarie’a van Joesoef (عليه السلام), (namelijk het neerwerpen voor een mens) voor ons ongeldig te verklaren, zijn dan de tientallen verzen uit de Koran en de woorden uit de hadieth niet voldoende om het regeren met de wetten van iets anders dan de openbaring van Allah of deelname aan een koefr wetgeving te verbieden?

Allah zegt:

“En oordeel tussen hen volgens wat Allah heeft neer gezonden en volg hun neigingen niet en wees voor hen op je hoede dat zij je niet weglokken van een deel van wat Allah tot jou heeft neer gezonden. Als zij zich afkeren, weet dan dat Allah hen wenst te treffen voor een deel van hun zonden. En veel van de mensen zijn echt verdorven.” (VBK soera Al Maa’ida 5, aaya 49)

Wanneer zij nu het neerwerpen voor mensen zouden toestaan, zouden ze de geopenbaarde teksten tegenspreken. Staan zij het echter niet toe – in navolging van de tekst die het geannuleerd heeft – dan moeten zij op gelijke wijze de deelname aan systemen van koefr verbieden en weerleggen daarmee hun eigen idee. Want geannuleerde teksten, wanneer zij bestaan, dienen in alle betreffende gevallen te worden toegepast, zonder onderscheid te maken in prioriteiten. De annulering in het ene geval toepassen en in het andere geval niet, betekent het volgen van de eigen begeerte en het niet volgen van de wetten van Allah en dit is haraam. Dit alles is onder de aanname dat Joesoef (عليه السلام) daadwerkelijk aan de regering van koefr heeft deelgenomen. Beschouwen we echter de teksten van de Koran die spreken over de Profeet Joesoef (عليه السلام), dan zijn er duidelijke bewijzen dat de aantijgingen die tegen hem worden gemaakt, zeer duidelijk worden tegengesproken door de Koran. Allah heeft hem met de volgende woorden beschreven

“Hij behoorde tot Onze uitverkoren dienaren.” (VBK, soera Joesoef 12, aaya 24)

En hij was het die tot zijn Heer gebeden heeft om in de gevangenis te belanden en niet in de zonde te vervallen: “Hij zei: “Mijn Heer, de gevangenis is mij liever dan dat waartoe zij mij oproepen en als U hun list niet van mij afwendt, dan zal ik mij tot hen aangetrokken voelen en tot de onwetenden behoren.” (VBK soera Joesoef 12, aaya 33)

Toen hij gevangen zat, droeg hij de da’wa duidelijk uit en zette de verplichting uiteen van het refereren aan de Sjarie’a, voor het oordeel van Allah: ْ

“Jullie twee medegevangenen! Zijn verschillende heren beter of God, de ene, de Alleenheerser? Wat jullie in plaats van Allah dienen zijn alleen maar namen die jullie en jullie vaderen gegeven hebben waarvoor Allah geen enkele machtiging had neergezonden. Het oordeel komt alleen Allah toe. Hij beveelt dat jullie alleen hem dienen. Dat is de juiste godsdienst, maar de meeste mensen weten het niet.” (VBK, soera Joesoef 12, aaya 39-40)

Na al deze eenduidige verklaringen, zochten sommige moslims voor een rechtvaardiging deel te nemen aan koefr systemen en maakten van Joesoef (عليه السلام) iemand die behoorde tot degenen die met iets anders regeerden dan hetgeen geopenbaard door Allah. Ze beweren zaken over deze vrome en zuivere Profeet, wat de aarde zal doen beven en de bergen tot puin zal verpulveren.

Lokale initiatieven

Algemeen

Amerika, Europa & Australië

Midden-Oosten & Noord Afrika

Azië