TwitterFacebookGoogle+    A+A  A-                                                                                                                                                                                                                        Contact - Links - Persmap      

Menu

Srebrenica en de toekomst van de moslims in Europa

Vandaag is het 25 jaar geleden dat Servische milities een genocide hebben gepleegd in de Bosnische stad Srebrenica. De stad stond formeel onder bescherming van het Nederlandse VN-bataljon Dutchbat. Meer dan 8000 moslimmannen en jongens werden onder het toeziend oog van de Nederlandse Dutchbat III gescheiden van de vrouwen, gedeporteerd, in koelen bloede geëxecuteerd en vervolgens in massagraven gedumpt. Ook moslimvrouwen en kinderen moesten het ontgelden tijdens de driejarige oorlog, die van 1992 tot 1995 duurde. Baby’s en kinderen werden gedood. Moslimvrouwen werden op grote schaal mishandeld, onteerd en eveneens gedood. 

Door de jaren heen is er veel gezegd en geschreven hierover, maar toch is het van groot belang om de genocide op moslims in Europa op periodieke basis onder de aandacht te brengen van de jongere generaties. Met als doel om de vele onschuldige doden niet te vergeten, maar eveneens om lering te trekken uit het lot van moslims die zich veilig waanden in Europa. Daarom is het noodzakelijk om de toedracht en de motieven achter de genocide te begrijpen. Bovendien is het belangrijk om stil te staan bij de wijze waarop men hier achteraf mee om is gegaan. Opdat een eerlijker en reëler toekomstperspectief voor de moslimgeneraties gerealiseerd kan worden 

Srebrenica: “veilige zone”

Voorafgaand aan de genocide sloegen duizenden moslims op de vlucht voor de nietsontziende Servische milities en zochten hun toevlucht bij de moslimenclave Srebrenica, die eerder door de Verenigde Naties afgekondigd was als “veilige zone”. De Dutchbat, onder leiding van de VN, zou garant staan voor hun veiligheid. Maar niets bleek minder waar, de moslims werden zonder verzet overhandigd aan de bloeddorstige Servische milities. De Dutchbat droeg zelfs bij aan de evacuatie van de moslimmannen, terwijl men bij voorbaat al wist dat zij gemarteld of gedood zouden worden.  De openlijke haat die de milities koesterden tegen Islam en de moslims was welbekend. 

Haat jegens Islam en de moslims

De diepgewortelde haat en wrok die een groot deel van de Serviërs  jegens de moslims koesterde, werd bij monde van de Servische generaal Ratko Mladic geuit tijdens een korte videoboodschap. De videoboodschap werd naar buiten werd gebracht, alvorens hij de opdracht gaf om de moslims af te slachten. Hij zei toen: “Hier staan we, 11 juli 1995, in de stad Srebrenica, in Servië. Aan de vooravond van de Servische heilige dag geven we deze stad terug aan de Servische natie. Ter nagedachtenis van de opstand tegen de Turken (lees: De Ottomaanse Khilafah) is de dag gekomen om wraak te nemen op de moslims.” Ook zijn er videobeelden opgedoken waarin hij de moslimkinderen toeroept met “Waar is jullie Allah nu, het is Mladic die jullie gaat redden.” Explicieter dan dit kan men moslimhaat niet uitdrukken.

Dit was ook bekend bij de Nederlandse blauwhelmen. Ondanks hun taak om de moslimenclave te beschermen, heerste bij een deel sympathie voor de Serviërs en een gedeelde haat tegen de moslims. Er zijn inmiddels meerdere getuigenverklaringen die dit bevestigen en verklaren dat er sprake was van fysieke intimidatie. Zoals het richten van geweren op onschuldige Bosnische moslims en het uitspreken van de wens om moslims met een tank over te rijden, tot aanrandingen en verkrachtingen van moslimvrouwen toe! Zelfs de graffiti op de muren van de compound van de Nederlandse militairen, beschreef de haat jegens de Bosnische moslims. Enkele voorbeelden luiden als volgt: “My ass is like the locals. It’s got the same smell.” Of: “No teeth…? A moustache…? Smell like shit…? Bosnian girl!“ De minachting jegens de moslimvluchtelingen in Srebrenica was sterk aanwezig. Zo gooiden ze stukken brood tussen honderden uitgehongerde Bosniërs, die erom vochten en ze lachten erom. Maar ook het gedrag dat de Dutchbatters vertoonden nadat de genocide op de moslims plaats had gevonden, was stuitend en loopt in lijn met dit gedachtegoed. In een welbekende uitgelekte video dansen dronken Dutchbatters een paar dagen na de genocide, en doen de polonaise alsof er niets is gebeurd. Hoe reëel is dan de verwachting dat de Dutchbatters hun levens zullen opofferen om de moslims te beschermen? 

Ook is het verschuilen achter de Servische “overmacht” om de militaire overgave aan de Serviërs te rechtvaardigen, zonder noemenswaardig verzet, zwak. Wat is de taak dan van getrainde militairen, als zij niet alles op alles zetten om ongewapende burgers te beschermen? Hoort het terugvechten met een eervol einde niet tot het takenpakket? Bovendien hebben de Britten twee weken later tijdens de Kroatische herovering van Krajina, duizend Servische burgers in hun hoofdkwartier opgenomen, teruggevochten en hebben hiermee burgers beschermd. Wat de situatie ook moge zijn, wat feitelijk plaats heeft gevonden is dat de moslims erg makkelijk zijn uitgeleverd aan de agressor. 

De houding van Nederland in de nasleep van de genocide

Tot zover het schandalige optreden van de Dutchbat, die niet alleen zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen, maar ook de agressor heeft geassisteerd. Een absolute smet en schande die op z’n minst erkend dient te worden om het gedane leed enigszins te verzachten, zou je zeggen. Maar de Nederlandse autoriteiten hebben zich vanaf het begin apathisch opgesteld en tot de dag van vandaag houden ze de boot af.

Het eerste Srebrenica-rapport van het NIOD werd pas in 2002, 7 jaar na de genocide gepubliceerd. De conclusie was dat de missie slecht was voorbereid en de Dutchbat kon het drama dat zich in Srebrenica had voltrokken niet worden aangerekend. Eerder in 1999 concludeerde de VN eveneens dat de Nederlandse blauwhelmen geen schuld hebben aan de genocide. 

De nabestaanden van de slachtoffers: ‘Moeders van Srebrenica’, zien na 15 jaar geen enkele vordering op een rechtvaardig einde en besluiten aangifte te doen van genocide en oorlogsmisdrijven. Onder meer tegen overste Thom Karremans, die commandant was van het Nederlandse VN-bataljon Dutchbat. Echter besluit het Openbaar Ministerie drie jaar later om Karremans niet te vervolgen.

In 2014 oordeelt de rechtbank in Den Haag dat Nederland niet verantwoordelijk is voor ruim 8000 moslimmannen maar deels verantwoordelijk is voor de deportatie van ruim driehonderd mannen. Dus met andere woorden|: Dutchbat was niet verantwoordelijk voor het lot van 7500 slachtoffers. 

In 2017 bevestigt het gerechtshof in Den Haag, het eerdere vonnis dat de staat aansprakelijk is voor de dood van 350 moslimmannen, maar de geleden schade maar voor 30 procent zal worden vergoed. Ook de Nederlandse militairen van Dutchbat, die de taak hadden om de moslimenclave te beschermen, bleven buiten schot. Volgens het hof is de Nederlandse regering slechts voor 30% aansprakelijk, voor ‘slechts’ 350 slachtoffers die zich binnen de Nederlandse compound bevonden. Dus ook in het bepalen van de schadevergoeding aan de erkende en bevestigde gevallen (als gevolg van nalatigheid van de Nederlandse regering) wordt slechts 30% uitgekeerd.

In 2019 oordeelt de Hoge Raad dat de staat deels aansprakelijk is voor de dood van ruim 300 moslims en oordeelt dat niet 30 procent, maar slechts 10 procent vergoeding uitgekeerd kan worden aan de nabestaanden. Dus met andere woorden; de aansprakelijkheid en schuld van de Nederlandse staat wordt gereduceerd tot slechts 10 procent.

Welk oordeel zal hierna geveld worden? Geen schadevergoeding en/of vrijspraak? 

Waar het op neerkomt, is dat Nederland, Europa en de gehele VN, niet in staat zijn geweest om de moslims in het Westen te beschermen tegen moslimhaat. Bovendien hebben zij gefaald in het nemen van hun verantwoordelijkheid met betrekking tot de genocide en nazorg van de nabestaanden.

We zien dit gedrag ook terug met betrekking tot misdaden van de Nederlandse regering jegens eerdere koloniën zoals Indonesië, maar ook bijvoorbeeld bij de Nederlandse luchtaanval in Irak, waar een complete woonwijk in Hawija verwoest werd door een Nederlandse F16. Hierbij kwamen meer dan zeventig burgers om het leven. Ook toen wilde de Nederlandse overheid de handen in onschuld wassen, kwam met smoesjes en schoof de schuld van zich af. 

De vraag is hoe Nederland en de rest van Europa, de moslimgemeenschappen in de toekomst wil beschermen tegen de steeds maar groter wordende anti-islamsentimenten. Met een dergelijke staat van dienst en denkwijze ziet het er niet rooskleurig uit.

Okay Pala
Mediavertegenwoordiger van Hizb ut Tahrir Nederland

                                 

Verandering van een samenleving

Feitelijk bestaat de samenleving uit een groep mensen met onderlinge relaties. Alleen een groep mensen is nog geen samenleving, maar enkel een groep mensen. Wat een samenleving vormt en wat zich van andere samenlevingen onderscheidt, zijn de onderlinge relaties. De mensen in elk land zijn immers nog altijd gewoon mens. Dat wil zeggen dat zij persoonlijkheden van het menselijk ras zijn, waarbij de ene groep zich niet van de ander onderscheidt, behalve in hun relaties.

De realiteit van een samenleving in detail is een groep mensen (naas), ideeën (afkaar), emoties (masjaa’ir) en systemen (andhima). Deze vier zaken vormen de samenleving. Dit, omdat de relaties voortkomen uit het (gemeenschappelijk) belang (maslaha). Wanneer er een belang bestaat, volgt een relatie, dit in tegenstelling tot wanneer er geen belang zou zijn. De afwezigheid van het belang betekent dat er geen relatie bestaat. Het belang is gebaseerd op de ideeën over een kwestie of zaak, of deze zaak of kwestie nu een belang betreft voor een persoon of juist niet. Wanneer de ideeën van de mensen overeenkomen inzake wat al dan niet een belang is, dan is er plaats voor een relatie tussen deze mensen. In tegenstelling tot wanneer dit niet het geval zou zijn. Wanneer de ideeën niet eender zijn inzake wat al dan niet een belang betreft, is er geen ruimte voor een relatie, dit omdat wat de ene als belang wordt beschouwd, door de ander als iets slechts kan worden gezien. Om deze reden wordt er op dat moment geen relatie tussen de twee tot stand gebracht.

Wat de relatie dus doet ontstaan, is de overeenkomst van de ideeën van beide partijen dat een bepaalde zaak een belang inhoudt voor beiden. Dit is een eerste voorwaarde voor een relatie. Dit alleen is echter niet voldoende. Een tweede is dat de emoties jegens dit belang in overeenstemming dienen te zijn; hun blijdschap, hun woede, hun goedkeuring, hun afkeuring en alle andere uitingsvormen van gevoel, zijn in overeenstemming tot een bepaalde zaak. En wanneer een relatie ontstaat zonder dat de emoties in overeenstemming zijn, kan de relatie niet standhouden, zelfs als de ideeën eender zijn. Dit, omdat een idee pas een idee kan zijn wanneer dit in de realiteit plaats kan hebben. Met ander woorden, het kan pas een concept zijn wanneer dit gekoppeld wordt aan de emoties.

Er kan dus gesteld worden dat de relatie bestaat uit de ideeën en emoties die één zijn. Deze relatie kan echter pas bestaan, en kan pas vruchtbaar zijn, wanneer er systemen bestaan die de relaties tussen de mensen ordenen, waarborgen en waarnemen. De aanwezigheid van een relatie is pas tastbaar en vruchtbaar niet enkel wanneer de ideeën en de emoties één zijn, maar een eenheid van systemen bestaat welke dit belang ordening geeft.

Daarom is het veranderen van de samenleving niet mogelijk middels het veranderen van haar individuen, noch middels het veranderen van haar instituties, noch middels het veranderen van haar machthebbers of ministers. Het veranderen van de samenleving kan enkel middels het veranderen van de heersende relaties in de samenleving, dus middels verandering van de ideeën, emoties en de systemen in de samenleving.

De enige manier om een samenleving te veranderen is middels de aanwezigheid van een politiek-ideologische structuur (koetla), ofwel een partij welke gebaseerd is op een ideologie die een alomvattend idee heeft; een verstandelijk politiek credo met gedetailleerde oplossingen voor de problemen van de mens, de samenleving en de staat. Deze zou tevens de manier aan moeten geven waarop de oplossingen worden geïmplementeerd in het leven, en hoe het credo behouden en beschermd kan worden, en tevens hoe de ideologie dient te worden uitgedragen. Deze partij, na voorbereiding van haar leden met hetgeen zij nodig hebben aan cultuur (thaqaafa) om de verandering te bewerkstelligen, onderneemt actie om haar alternatieve ideeën te verspreiden, en een positieve publieke opinie jegens haar ideeën en haarzelf te vormen, op basis waarvan nieuwe algemene gebruiken voortkomen. Dit, opdat de mensen de ideeën van de partij omarmen en aannemen, en het idee hun eigen idee wordt, waarop de mensen het leiderschap (qiyaada) aan de partij overdragen.

‘Maslaha’: een geldig argument voor deelname aan het politieke leven in het westen?

Met de term al maslaha, bedoelen degenen die het begrip gebruiken: "Hetgeen waarover de Wetgever geen uitspraak heeft gedaan en waarvoor Hij geen Sjar’i bewijs ter erkenning of afwijzing heeft gegeven”. Anderen hebben al maslaha als volgt gedefinieerd: “De beschrijving van een daad, waaruit altijd of meestal een voordeel voor de gemeenschap of het individu resulteert”. De voorstanders voor deelname aan het politieke leven in het Westen stellen dat hun bewijsvoering de vervulling van al maslaha, het belang van de moslims vervult. Het gaat om: "het afwegen van het beste uit de twee goede handelingen en twee kwaden. Dit, om het grootste belang te vervullen door van het kleinere belang af te zien en het minste kwaad te accepteren, door te proberen het grotere kwaad te ontwijken". De ongeldigheid van deze uitspraak wordt uit het volgende duidelijk: 

1. Het vaststellen van het belang en het vaststellen van hetgeen schadelijk is, behoort aan de Heerser van de wereld Allah (جل جلاله) toe. Wat de Sjarie’a verlangd heeft uit te voeren, wordt gezien als maslaha, het belang. Wat de Sjarie’a heeft verboden is het kwaad (mafsada). Dit is wat bedoeld wordt in het volgende Koranvers:

“Aan jullie is voorgeschreven te strijden, hoeveel het jullie ook tegenstaat. Maar misschien staat jullie iets tegen dat toch goed voor jullie is en misschien hebben jullie iets lief dat toch slecht is voor jullie. God weet en jullie weten niet.” (VBK, Al Baqara 2, vers 216)

Moge Allah (جل جلاله) ons ervoor behoeden, dat ons belang ligt in hetgeen Hij verboden heeft en moge Hij er ons tevens voor behoeden, dat wij beweren een belang te vinden in hetgeen Hij verboden heeft. Bovendien dient de vraag zich aan, wie het belang waarover deze moslims het hebben mag bepalen. Wie een blik werpt op de realiteit, toont ons de machtsstrijd binnen moskeeën en de strijd over de controle van de financiële middelen van de moskeeën. Weinig moskeeën in het Westen ontkomen aan deze interne machtsstrijd, waarbij men verschilt over de belangen van de moskee en hoe dezen vervuld dienen te worden. Hier is menig mens zich bewust van. Dus hoe kan men dan nog spreken over belang en wie is het die deze zaken bepaalt? Is er bijvoorbeeld een verkiezing geweest waarbij de moslims het een keer met elkaar eens waren, zoals de presidentiële verkiezingen in Frankrijk (in 2002), waarbij sommige moslims dachten dat het grootste belang lag bij Chirac, terwijl anderen dachten dit bij Jospin te vinden en weer anderen simpelweg Le Pen wilden uitsluiten.

2. De voorwaarde van belang voor degenen die dit nastreven, is dat het belang reëel moet zijn en niet gebaseerd op begeerten. De belangen die moslims proberen na te streven, door deel te nemen aan het politieke leven in het Westen, zijn eerder fictief en onwerkelijk. Er bestaat geen reëel belang, behalve hetgeen bereikt is door het Westen.

Lessen zouden geleerd moeten worden bij het voorbeeld van George W. Bush, die de Amerikaanse presidentiële verkiezingen won, mede dankzij de stemmen van moslims. Een groot aantal moslims dacht dat door op deze man te stemmen, hun islamitische belangen zouden worden behartigd. Tevens dachten zij dat hij de moslims steun zou verlenen in het stichten van hun instituties, het beeld van de Islam zou helpen verbeteren en hen zou steunen bij vele zaken die hen aangaan, waaronder de kwestie van Palestina. Nadat hij de meerderheid had gekregen en toetrad tot het ambt, ontketende hij een nieuwe kruistocht tegen de moslims, vervolgde hij hen in hun landen, doodde hen, bezette hun landen, en dit alles onder het voorwendsel van de strijd tegen het terrorisme. Derhalve toont de waarneembare en tastbare realiteit ons aan, dat het nagestreefde belang, dat zou liggen in de deelname aan het politieke leven in het Westen, fictief en onrealistisch is.

De stemmen van de moslims worden meer voor het eigenbelang van het Westen gebruikt. Zij veranderen de op het eigenbelang gebaseerde politiek niet, noch verlaten zij vitale belangen, omdat wij moslims met hen hebben deelgenomen in een koefr heerschappij of op hen hebben gestemd. De eerste die de leus "de Islam is de alternatieve vijand" in de Westerse politiek uitkraamde, was de voormalige minister van Defensie, de voormalige vicepresident onder George W. Bush, Dick Cheney. Hij deed dit op de conferentie voor internationale veiligheid in München (in 1991). Dezelfde Dick Cheney en George W. Bush, waaraan de moslims hun stem hebben gegeven. Laten we deze vasthoudendheid van het Westen aan haar standpunten, ideeën en belangen beschouwen, en ons afvragen; heeft de deelname aan het politieke leven in het Westen ons echt iets opgeleverd? En is het nut waarvoor we beweren te werken nu realistisch of fictief geweest?

3. Het belang waarover zij spreken en dat zij als bewijs aanvoeren, definiëren zij zelf als "hetgeen waartoe de Wetgever geen uitspraak heeft gedaan en waarbij geen Sjar’ie bewijs bestaat voor toestemming of afwijzing ".

De deelname aan regeringen van koefr behoort tot de "belangen", die door absoluut authentieke, eenduidige Sjar’ie teksten totaal zijn geannuleerd en ongeldig zijn verklaard. (*meer hierover in het boek Het Goddelijk oordeel betreffende de deelname van de moslims aan het politieke leven in het westen). Dus hoe kan nu een gemeend "belang", als bewijs worden aangevoerd dat door de Sjarie’a is geannuleerd en ongeldig is verklaard? Het beroepen op het afwegen van het beste uit de twee goede handelingen en twee kwaden, om het grootste belang te vervullen door van het kleinere belang af te zien, en tevens het minste kwaad accepteren door te proberen het grotere kwaad te ontwijken, kan enkel in die gevallen worden toegepast wanneer de moslim wordt geconfronteerd met een situatie, waar totaal geen uitweg meer is.

Een voorbeeld hiervan is wanneer een vrouw in levensgevaar gered wordt door een man, maar daarbij ongewild haar 'auwra (hetgeen verboden is voor een niet-mahram om te zien) laat zien. In dit geval moet de man de vrouw redden, ondanks het feit dat hij haar 'auwra ziet. In andere gevallen, waarin dit vermeden kan worden, is deze regel niet toepasbaar. De deelname aan systemen van koefr is ongetwijfeld vermijdbaar. Daarboven dient de afweging van het beste uit de twee goede handelingen, en twee kwaden, plaats te vinden op basis van het Goddelijk oordeel en niet op basis van rationele of verstandelijke beredenering. Nadat de moslims hun feilbare verstand het recht van de afweging en vastlegging hebben gegeven, ondanks dat er geen twijfel over bestaat dat dit onmogelijk is omdat verstandelijke capaciteiten en meningen niet eenduidig kunnen zijn, hebben zij George W. Bush hun stem gegeven in plaats van Al Gore. En hebben zij hiermee werkelijk het betere uit twee alternatieven, of het minste van de twee kwaden gekozen? Of juist het tegendeel? Bovendien is er voor de moslim geen groter kwaad, behalve de veelgoderij, dan het regeren buiten hetgeen Allah (جل جلاله) heeft geopenbaard.

In feite zijn het twee zijden van dezelfde munt. Allah (جل جلاله) heeft ons geboden gedurende de djihaad ons leven op te offeren, om de mensen aan de wetten van Islam te onderwerpen. Op gelijke wijze heeft Hij ons opgedragen ons leven te offeren wanneer de ten uitvoering van de islamitische wetgeving in het geding komt. Wij moslims zijn opgedragen om tegen de heerser van de islamitische Staat gewapend ten strijde te trekken, wanneer hij wetten van koefr ten uitvoer wil brengen en waar de moslims over een duidelijk bewijs beschikken, dat hij dit bewust wil doen. Hoe kan nu van moslims verlangd worden de vergankelijke belangen in het Westen, te verruilen ten koste van het grootste belang van de religie, namelijk het regeren met de wetten die geopenbaard zijn door Allah (جل جلاله) ?Voor de geleerden staat vast dat het vasthouden aan de religie, voorgaat aan alle islamitische verordende doelen, zoals het lijfsbehoud, het behoud van het nageslacht en andere doelen. Waarop moet worden gewezen, is het feit dat de geleerden het er over eens zijn dat het verblijf van een moslim in een "daar oel koefr" (Staat waar de islamitische wetten niet ten uitvoer worden gebracht) verboden is, indien de moslims vrees hebben om hun geloofsovertuiging uit te oefenen of vrezen in haraam te vervallen. In deze gevallen is het zijn plicht naar een land te vertrekken waarin hij zijn geloof kan uitoefenen en waarin hij tevens geen vrees hoeft te hebben om in haraam te vervallen, ongeacht welke financiële consequenties dit zou hebben. Elk onheil blijft in vergelijking bij het verliezen van de religie gering. Allah (جل جلاله) zegt: ْ

“Tot hen die door de engelen worden weggenomen, terwijl zij zichzelf onrecht hebben aangedaan, zeggen zij: “In wat voor toestand verkeerden jullie?” Zij zeggen dan: “ Wij waren onderdrukten op aarde.” Zij zeggen: “Was Gods aarde niet zo ruim dat jullie daarin konden uitwijken?” Zij zijn het van wie de verblijfplaats de hel is; dat is een slechte bestemming.” (VBK, An Nisaa 4, aaya 97)

Dus hoe kunnen moslims zichzelf afvragen te werken met de verboden handeling van het deelnemen aan het politieke leven, alleen omdat zij wonen in het Westen?

De verandering van de mens

Allah (جل جلاله) heeft de mens geschapen en heeft in de mens instincten (gharaa’iz) en organische behoeften (haadjaat oel ‘oedwiyya) geplaatst welke hem aanzetten tot gedrag om dezen te bevredigen. De instincten en de organische behoeften in de mens zetten hem aan tot het neigen naar bepaalde dingen en het ondernemen van bepaalde handelingen, dan wel tot het afzien van bepaalde dingen en handelingen. De mens beschikt over drie instincten:

 Het overlevingsinstinct (ghariezat oel baqaa). Deze manifesteert zich in angst, de voorliefde tot bezit, de liefde voor het eigen volk en dergelijke;

 Het voortplantingsinstinct (ghariezat oen naw’). Deze manifesteert zich in de drang tot seksueel contact, moeder- en vaderschap, de drang naar het redden van iemand in nood en dergelijke;

 Het aanbiddingsinstinct (ghariezat oet tadayyoen). Deze manifesteert zich in het verheiligen en het gevoel van beperktheid, machteloosheid en behoeftigheid.

Tot de organische behoeften behoren alle zaken die benodigd zijn voor het menselijke lichaam om de vitale functies te vervullen en in leven te blijven, zoals eten, drinken, slapen, ademen, en dergelijke. Het gedrag van de mensen in het leven, ofwel de handelingen die resulteren uit de bevrediging van zijn organische behoeften en instincten, zijn verbonden met zijn concepten over de materie en het leven. De concepten inzake de materie, zoals het concept dat water drinkbaar is, vlees eetbaar en een steen bijvoorbeeld niet, dirigeren de mens naar de materie welke vereist is voor bevrediging. De concepten over het leven bepalen daarentegen bij de mens de wijze van bevrediging.

Met andere woorden ordenen zij voor hem het bevredigingsproces zelf en weliswaar door de verklaring van hetgeen geoorloofd (djaa’iz) en ongeoorloofd (mamnoe’a) is, en wat vrijgelaten (moebaah) en verboden (mahdhoer) is. De concepten omtrent de materie, zijn oordelen en overtuigingen die voortkomen uit het besef van de mens dat zich baseert op de specifieke kenmerken van de materie, of deze geschikt zijn ter bevrediging van de behoeften of niet. Daarom kan gesteld worden dat deze concepten eender zijn onder de mensen; het oordeel komt namelijk voort uit de dingen zelf en haar onderwerp. De eigenschap van vlees bijvoorbeeld is dat het behoort tot één van de zaken die de honger stilt. Dit is van de zaken die van te voren worden waargenomen door de mens, hierover bestaat geen verschil van mening.

Echter zijn de concepten over het leven oordelen en overtuigingen, en komen niet voort uit de materie en haar specifieke kenmerken, maar hangen samen met de wijze waarop de materie wordt gebruikt. Met andere woorden is het gerelateerd aan het feit of de materie wel of niet is toegestaan voor bevrediging. En deze concepten over het leven, zijn verschillend onder de mensen, daar de visies onder de mensen verschillen inzake het al dan niet verrichten van een bepaalde handeling. Tevens wanneer het gedrag (soeloek) van de mens in het leven verbonden is met de concepten (mafaahiem) over het leven, is het noodzakelijk alvorens we het gedrag van de mens veranderen, zijn concepten eerst te veranderen. Allah (جل جلاله) zegt:

''Allah verandert de toestand van een volk niet voordat zij hetgeen in hun hart is veranderen." (VBK soera ar Ra‘d 13, aaya 11)


De kracht van de media

De media is een belangrijk communicatiemiddel, welke bijdraagt aan de vorming van een publieke opinie en de adoptie van politieke besluiten. Voornamelijk in het Westen is ze belangrijk, aangezien besluitnemers en (politieke) ambtsdragers de media gebruiken ter rechtvaardiging van hun politieke besluiten, en de mensen te overtuigen. De realiteit is dat de meeste media in Westerse landen, gecontroleerd worden door machten die haar aan neutraliteit en objectiviteit hebben laten beïnvloeden.

Ze hebben het tot een werktuig in de handen van kapitalisten gemaakt; zij beheersen het en gebruiken het om hun belangen behartigd te zien. Daarom is het tegenwoordig zeer zeldzaam dat we werkelijk onafhankelijke media tegenkomen, die hun eigen wil en beslissingen hebben bij het tonen van zaken aan de mensen. Media die de mensen kunnen vertrouwen en hun uitzendingen kunnen beschouwen als een juiste weergave en correcte rapportage, van hetgeen zich afspeelt in de wereld. De media voeren een regelrechte propagandaoorlog tegen de Islam, die voor niemand meer verborgen is.

Er gaat geen dag voorbij, zonder dat de Islam wordt aangevallen en haar ideeën en wetten in een kwaad daglicht worden gezet. Een voorbeeld hiervan is de gedrukte media zoals boeken, kranten en tijdschriften, waarbij geen kans onbenut wordt gelaten om de Islam en moslims slecht af te beelden. Spaarzaam zijn de momenten waarbij men een krant vindt, welke Islam eerlijk behandelt of een programma dat zijn objectiviteit waarborgt. Dit is echter ook niet verwonderlijk, aangezien de makers vaak regelrechte islamhaters zijn en deze haat ook niet onder stoelen of banken steken. Hier is nu een belangrijke rol voor de moslims weggelegd, als zij de moslims en hun Dien een dienst willen bewijzen.

Zij kunnen een medianetwerk opbouwen, dat zichzelf een eerlijke- en objectieve berichtgeving oplegt. Daarnaast dient het een juiste uitleg van de ‘aqieda en het systeem van Islam te geven, zodat haar waarheden worden benadrukt, door middel van het gebruik van Westerse schrijf- en spraakstijlen. Wie de realiteit van moslims vandaag de dag met betrekking tot dit vakgebied analyseert, zal een grote tekortkoming hierin ondervinden. Het meeste wat de moslims vooralsnog voortgebracht hebben op het gebied van de media, ligt ver beneden niveau.

Niet zelden wordt de Islam in publicaties zodanig verdraaid, dat deze dichter bij het Westerse gedachtegoed komt te liggen, in de hoop dat door deze verdraaiing de Islam voor de Westerse samenlevingen meer acceptabel wordt. Bijkomstig het feit dat het gepubliceerde materiaal, op geen enkele wijze, in verhouding staat tot het vermogen of de grote aantallen moslims levende in het Westen. Ook staan deze publicaties totaal niet in verhouding tot het universele karakter van hun ideologie, die hen ertoe verplicht deze ideologie waar dan ook uit te dragen. Wat betreft de radio en televisie, hiervan is van islamitische zijde nagenoeg geen inbreng.

Algemeen

Amerika, Europa & Australië

Midden-Oosten & Noord Afrika

Azië