TwitterFacebookGoogle+    A+A  A-                                                                                                                                                                                                                        Contact - Links - Persmap      

Menu

Betreft het vers - An-Nisa:141

Vraag: Betreffende het vers:

ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلاً

“En Allah zal de ongelovigen op generlei wijze over de gelovigen doen zegevieren” [An-Nisa; ayah 141]

Sommigen zeggen dat dit vers verwijst naar het hiernamaals omdat het na het volgende vers komt:

 

فالله يحكم بينكم يوم القيامة

“Allah zal op de Dag des Oordeels tussen u richten” [An-Nisa; ayah 141]

 

Antwoord: Uw opmerking is correct wat betreft dat:

 

ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلاً

“En Allah zal de ongelovigen op generlei wijze over de gelovigen doen zegevieren” [An-Nisa; ayah 141]

 

verbonden is aan:

 

فالله يحكم بينكم يوم القيامة

“Allah zal op de Dag des Oordeels tussen u richten” [An-Nisa; ayah 141]

 

Dit betekent niet dat het ma'Toef (verbondene) onder het oordeel, de tijd en de plaats van het ma'Toef `ilajh (verbondene met) valt en dit is omdat het verbindingswoord ‘wa’ (en(het eerste woord aan het begin van het eerst genoemde gedeelte van de ayah)) slechts een absoluut verbindingswoord is in de Arabische taal, het kan verbinden tussen twee dingen welke verbonden zijn (musaahibihi), iets wat ervoor kwam (saabiqihi) of iets wat erna kwam (laahiqihi). Waadjib kan met Mandoeb (aangeraden) of Moebaah (toegestaan) worden verbonden... enzovoort. Dus is het slechts om te verbinden, maar is het de Qarienah (aanwijzing) welke bepaalt of twee samengevoegde dingen hetzelfde hoekm (oordeel), tijd of plaats hebben. Om deze reden, betekent het eerste gedeelte van de ayah, welke naar de Dag des Oordeels verwijst, niet dat het latere gedeelte ook op de Dag des Oordeels is. Juister zijn het de Qareenah en de context van de uitspraak welke de betekenis bepalen.

Wat betreft de Qareenah welke verduidelijkt dat:

 

ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلاً

“En Allah zal de ongelovigen op generlei wijze over de gelovigen doen zegevieren” [An-Nisa; ayah 141]

 

niet verwijst naar de Dag des Oordeels maar naar Doenya ; het is het gebruik van het woord Sabeela (wijze) d.w.z. Sultaan (gezag). De aanwezigheid van een groep mensen die gezag over een andere groep hebben is (alleen) in Doenya . Er is geen gezag voor een ieder over de creatie omdat het gezag voor Allah (swt) is. Aldus de ayah:

 

ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلاً

“En Allah zal de ongelovigen op generlei wijze over de gelovigen doen zegevieren” [An-Nisaa; ayah 141]

 

is in dunya. Dit spreekt het feit dat het verbonden is vóór de ayah met de Dag des Oordeels niet tegen:

 

فالله يحكم بينكم يوم القيامة

“Allah zal op de Dag des Oordeels tussen u richten” [An-Nisa; ayah 141]

 

Dit is omdat het ma'Toef (verbondene) niet onder het ma'Toef ‘ilajh (verbondene met) valt zonder een Qarienah. En de Qareinah welke het ma'Toef maakt is:

 

ولن يجعل الله للكافرين على المؤمنين سبيلاً

“En Allah zal de ongelovigen op generlei wijze over de gelovigen doen zegevieren” [An-Nisaa; ayah 141]

 

Wat in Doenya is. Dus is zijn tekstuele aanwijzing de vereiste betekenis (Dalaalat ul-iqtiDaa`) welke noodzakelijk is om de eerlijkheid van Allah (swt) te handhaven. Zo veranderen wij het begrijpen ervan van (het te zien) als een bericht tot één van een beslissend verbod (Nahi Djaazim) d.w.z. dat het verboden is voor u ‘O Moslims toe te staan dat de Kaafireen een Sabeela (wijze) d.w.z. gezag over u hebben.

 

Lokale initiatieven

Algemeen

Amerika, Europa & Australië

Midden-Oosten & Noord Afrika

Azië