Moslimdiscriminatie: Bevestigd wat al lang bekend was – maar wat nu?
Het onlangs gepubliceerde Nationaal Onderzoek Moslimdiscriminatie (Regioplan & Universiteit Utrecht, 2025) bevestigt ondubbelzinnig wat moslims in Nederland al jarenlang ervaren: discriminatie op basis van geloof is diepgeworteld, structureel en genormaliseerd in vrijwel alle lagen van de samenleving. De bevindingen zijn ernstig, maar helaas niet nieuw. De centrale vraag is daarom: wat gaat er nu werkelijk veranderen?
Wat jarenlang door de moslimgemeenschap is gesignaleerd, wordt nu wetenschappelijk bevestigd. Zolang echter de rol van de overheid in dit probleem niet kritisch onder ogen wordt gezien, blijft de impact van het rapport beperkt. Moslimdiscriminatie in Nederland is namelijk geen geïsoleerd maatschappelijk verschijnsel; het is mede gevormd, gelegitimeerd en versterkt door decennia aan overheidsbeleid waarin islam en moslims systematisch worden neergezet als een veiligheidsrisico.
Sinds de aanslagen van 11 september 2001 veranderde de houding van veel westerse overheden, inclusief de Nederlandse, ingrijpend tegenover de islam. Wat begon als een internationale veiligheidsstrategie vertaalde zich snel in binnenlands beleid, waarbij moslims steeds vaker werden benaderd als potentieel gevaar.
Van antiradicaliseringsprogramma’s en burgerschapscampagnes tot het monitoren van moskeeën en het ingrijpen in islamitisch onderwijs: telkens weer werd de islam expliciet als probleem behandeld. Moslims kwamen daardoor niet alleen onder maatschappelijke druk te staan, maar ook onder institutioneel toezicht.
De normalisering van moslimdiscriminatie is dus niet enkel het gevolg van individuele vooroordelen, maar vooral het resultaat van langdurig beleid waarin islamitische zichtbaarheid als problematisch wordt beschouwd. Wanneer een religieuze overtuiging stelselmatig wordt bestempeld als “radicaal”, “extremistisch” of in andere politieke termen wordt beschreven, werkt dat stigmatiserend en heeft het verstrekkende maatschappelijke gevolgen.
Het rapport benoemt voorzichtig het bestaan van institutionele discriminatie. Dat is een belangrijk begin. Maar zolang men blijft spreken over “onbedoelde uitsluiting” of “gebrek aan bewustzijn”, wordt de kern gemist. Het gaat hier niet om incidentele fouten binnen het systeem – het systeem zélf draagt bij aan de structurele uitsluiting van moslims.
Een werkelijk effectieve aanpak vereist daarom niet alleen beleidsaanpassingen, maar een fundamentele herziening van hoe de Nederlandse staat kijkt naar andersdenkenden in haar samenleving.
Okay Pala Directeur Media Bureau Hizb ut Tahrir Nederland